Dag 2 – Stenen met een schatrijk verhaal

Sam, Jiddo en Tante Wilma zijn met de trein van Engeland naar Schotland gereisd. Daar zijn ze vandaag aangekomen om te genieten van een rustige vakantie.

Gisteren vonden Jiddo en Sam nog een oude kaart in het museum en hebben deze stiekem meegenomen. Als Tante Wilma het hoort vindt ze dat de kaart terug moet naar het museum. Maar Jiddo en Sam willen het liefst eerste de kaart volgen en dan terugbrengen; ‘Wie weet worden we Schatrijk’ Ze vervolgen hun weg en zien in de verte een kasteel. Tante Wilma vertelt dat er hier heel veel van zijn in Schotland, de bekendste is Edingburgh Castle daar liggen de kroonjuwelen. Ze vinden een stuk hout, ze kunnen alleen niet helemaal ontcijferen wat er op staat…iets met Cast. Ze wandelen verder en maken een spoor met stenen zodat ze niet verdwalen in de Schotse Hooglanden. 

Al gauw blijkt dat Tante Wilma, Jiddo en Sam niet de enigen zijn die naar Schotland zijn afgereisd. De inbrekers van het museum zijn hun gevolgd en hebben alles gehoord over het oude papier.

Het drietal moet een rivier oversteken maar gaan eerst wat drinken. De inbrekers zijn hen gevolgd en gooien een steen, die tegen Sam aankomt en daardoor met haar voeten in het water beland. Ze hollen achter elkaar aan en Tante Wilma gaat hen achterna. Als ze terug komen zijn hun tassen leeggehaald. ‘Wie heeft dit gedaan? Misschien wel wilde dieren?’ zegt Jiddo. Het is heel vreemd…maar ze besluiten toch snel hun tassen in te pakken en weer verder te gaan. Maar eerst willen ze nog wat uitrusten. Ze besluiten om te gaan zitten en ondertussen vertelt tante Wilma het verhaal van Jozua 4: Stenen met een schatrijk verhaal.

Hé, wat is dat nou?’ ‘Wat bedoel je, Simon?’ ‘Daar liggen twaalf grote stenen zomaar op elkaar. Waarom?’ ‘Die stenen liggen daar niet zomaar. Die stenen vertellen een verhaal. Heb je zin om een verhaal te horen van die twaalf stenen?’ Zegt zijn vader? ‘Ga dan maar rustig even zitten’.

Vader begint te vertellen: Het begint lang geleden. Toen woonde mijn opa niet hier, maar in een land hier ver vandaan, het heet Egypte. Daar woont hij met ons hele volk. Het is daar echt niet fijn. Ons volk moet daar zo hard werken als slaaf. Dag in, dag uit. Elke dag komen de Egyptische opzichters en zeggen dat ze nóg harder moeten werken! En als ze niet hard genoeg werken, krijgen ze met de zweep. Zo gaat het dag in, dag uit. Week in, week uit. Maand in, maand uit. Jaar in, jaar uit. Het is zo verdrietig.

Ja, en de koning van Egypte, de Farao, was heel gemeen tegen het volk. Op een dag belooft God dat er een nieuwe tijd komt. Hij zou hun helpen  om uit Egypte te komen en een eigen land krijgen waar ze in vrijheid kunnen wonen. Daarvoor moeten ze wel heel lang reizen wel 40 jaar! 

Na 40 jaar komen ze aan bij de rivier, die de Jordaan heet. Alle mensen staan daar allemaal vol spanning bij elkaar. Jozua leidt het volk. Hij vertelt dat er iets héél bijzonders gaat gebeuren. ‘God gaat een wonder doen’, vertelt Jozua. Snel breken ze de tenten, waarin ze slapen, af,  gaan ze zich wassen en trekken hun mooiste kleren aan.

Als iedereen vol spanning voor de rivier de Jordaan staat, pakken de knechten van God de ark op. De ark is een grote houten kist, prachtig versierd met goud. Tijdens de reis door de woestijn gaat de ark steeds met hun mee. Deze kist laat zien dat God heel dichtbij zijn volk wil zijn, omdat Hij van ze houdt. Elke keer als je de ark ziet, mag je weten: “Ik hoef niet bang te zijn, God is heel dichtbij”. God wil altijd heel dichtbij iedereen zijn. De knechten van God pakken de ark op en gaan lopen. Maar… maar… huh… ze lopen precies richting het water. Maar dat kan toch niet. Het water stroomt heel hard. Als je er inloopt, verdrink je vast. Daar ga je toch niet zomaar in! Maar dan… het water stopt zomaar met stromen. Er komt een pad door de rivier de Jordaan. Precies voor de ark. God doet een wonder! Hij wil laten zien dat Hij de sterkste is, dat zelfs de rivier moet stoppen voor Hem. God kan alles!

Terwijl iedereen door het pad in de rivier loopt, zegt Jozua tegen twaalf sterke mannen dat ze een steen van de bodem moeten pakken. Voorzichtig pakken ze allemaal een grote steen. En die stenen… staan nu hier, zegt vader. Steeds als we ze zien, kan dit verhaal worden verteld. Want deze stenen hebben een prachtig verhaal! Zo zullen wij nooit vergeten dat God zo’n groot wonder heeft gedaan. Dat Hij grote dingen doet! Wij mogen er steeds weer aan denken. En diezelfde God zorgt nog steeds voor ons. Iedere dag. Dat moeten we nooit vergeten en dat mogen we ook altijd doorvertellen.

Na het verhaal gaat het drietal verder in de verte bij het meer van Lochness heeft tante Wilma een mooi kasteel zien staan. Het wordt steeds mistiger. De inbrekers gooien weer een steen. Jiddo en Sam schrikken zich een hoedje. Ze worden een beetje bang. Ze besluiten om terug te lopen en een plekje te zoeken om te overnachten. Maar als ze de stenen volgen die ze hadden neergelegd komen ze steeds op dezelfde plek uit. Ze zijn verdwaald. Maar dan komt er een Schot John, die hen de wegwijst.